Als kind keek ik vaak naar mijn moeder. Ze had zware astma, en haar aanvallen waren intens. Beangstigend. Het soort momenten waarin de wereld even stil lijkt te staan, waarin elke ademhaling een gevecht wordt. Ik herinner me dat ik dacht dat ze doodging. Steeds weer.
Wat ik toen niet wist, is dat ik niet alleen keek, ik voelde, ik nam waar, ik nam over.
Onbewust begon ik hetzelfde te ademen als zij.
Waar ademhaling normaal gesproken staat voor leven, voor ontvangen en loslaten, voor ritme en vertrouwen, kreeg het voor mij een hele andere lading. Inademen werd spannend. Uitademen voelde onzeker. In mijn beleving was bewust ademen gekoppeld aan gevaar. Aan doodgaan.
Mijn lichaam sloeg het op.
Zonder dat ik het doorhad, werd mijn hele systeem daarop afgestemd. Ademen werd iets waar spanning op zat, iets wat niet vanzelfsprekend vrij kon stromen. Alsof er diep vanbinnen een overtuiging zat: als ik écht ga ademen, dan gebeurt er iets ergs.
Pas veel later, toen ik trainingen en opleidingen ging volgen, begon er iets te verschuiven.
Er ging een wereld voor me open.
Ik ontdekte dat adem juist het tegenovergestelde is van wat ik als kind had ervaren. Dat inademen niet betekent dat je in gevaar bent, maar dat je het leven binnenlaat. Dat uitademen geen loslaten in angst is, maar een overgave aan vertrouwen.
Laag voor laag mocht mijn lichaam iets anders leren.
Veiligheid.
Ruimte.
Vrijheid.
En misschien wel het belangrijkste: dat mijn adem van mij is.
Vandaag de dag zie ik hoe krachtig het is wat we als kind oppikken, zonder woorden, zonder uitleg, maar diep voelbaar. En ook hoe helend het is om daar bewustzijn op te brengen.
Want waar ooit angst zat, kan weer vertrouwen groeien.
Ademhaling is geen strijd.
Het is leven zelf.